Hij is zestien en hij komt thuis wanneer hij wil. Soms om elf uur, soms om twee uur 's nachts. Ik lig al in bed en hoor de voordeur. Voetstappen op de trap. De volgende ochtend hangt zijn jas over de stoel en ruikt het hele halletje naar rook. Of naar iets wat ik niet helemaal kan plaatsen maar waarvan ik ook niet zeker weet of ik het wíl plaatsen.
Ik zeg er iets van. Natuurlijk zeg ik er iets van. Hij haalt zijn schouders op. Loopt naar zijn kamer. Deur dicht. En ik sta in de gang met het gevoel dat ik net een gesprek heb gevoerd met een muur. Een muur die ook nog eens het licht op de gang aan laat staan, trouwens.
Dit was niet altijd zo. Er was een tijd dat hij nog naast me op de bank kroop. Dat ik wist met wie hij omging, wat hij at bij zijn vriend thuis (altijd friet, want bij Daan mag alles). Hij vertelde me dingen. Niet alles, maar genoeg. En nu? Nu woon ik samen met iemand die eruitziet als mijn kind maar zich gedraagt als een onderhuurder die ik amper ken. Eentje die de koelkast leegeet en om onduidelijke redenen drie handdoeken per dag nodig heeft.
Andere ouders vertellen me hoe leuk ze hem vinden. Hoe beleefd. En dan denk ik: hebben we het over dezelfde persoon? Over mijn Beau? Want thuis is het alsof er een schakelaar omgaat. De hele tijd kortaf. Geïrriteerd. Als ik geluk heb krijg ik een bromgeluid dat vaag op "ja" lijkt. En ergens onderweg ben ik veranderd in de politie van mijn eigen huis. Altijd aan het controleren. In permanente staat van paraatheid. Ik schrik soms van mezelf, want wanneer ben ik dié moeder geworden?
Wat doe ik verkeerd? Terwijl de vraag is: wat heeft hij nodig?
Wij zien dit dagelijks. Wat wij hebben geleerd is dat een tiener die alles negeert bijna altijd een kind is dat zoveel voelt dat het de enige manier is om het vol te houden: alles dichtdoen. De rook, de drank, het wegblijven: manieren om iets te dempen wat hij zelf niet eens kan benoemen. En jij denkt: wat doe ik verkeerd? Terwijl de vraag is: wat heeft hij nodig?
Dat begint met iets wat stom klinkt: één moment per dag. Geen gesprek. Geen preek. Een kop thee naast die telefoon op die buik. Iets vragen over die serie waar hij naar kijkt waarvan je de naam niet kunt onthouden. Naast hem zitten. Meer niet. Hij gaat geen diep gesprek beginnen. Maar hij registreert: ze is er. Ze wil niks van me. Ze zit er gewoon. Dat is meer waard dan je denkt.
Ze is er. Ze wil niks van me. Ze zit er gewoon.
In de Ultieme Pubercursus werken we hier concreet mee. Want je staat er niet alleen voor. Het voelt alleen zo.